Woordenschat hoofdstuk 4, opdracht 3

Vul in elke zin het juiste woord in.

bevestigen - delict - extern - frequent - hacken - intern - naïef - ontkennen - opbiechten - verzwijgen - zelden

1. Mijn broertje heeft koekjes gepikt uit de kast. Toen mijn moeder heel streng keek, moest hij dat wel .


computerinbreker.jpg
2. Toen ze het wachtwoord van de directeur te weten waren gekomen, konden criminelen de computer van de bank .

3. Mijn opa en oma wonen in Turkije. Dat is helaas ver weg en daarom zie ik hen .
4. Een USB-stick zit niet in je computer. Je zou daarom kunnen zeggen dat een USB-stick een voorbeeld is van geheugen.
5. De man had ingebroken bij een oud vrouwtje en sieraden gestolen ter waarde van € 1500,-. De rechter veroordeelde hem voor dit tot 3 jaar cel.
6. De leraar vroeg wel 10 keer of mijn vriendin gespiekt had bij de toets, maar ze zei steeds van niet. Ze bleef .


longonderzoek.jpg
7. Je longen zitten in je lichaam. Als de longarts die echt goed wil bekijken, dan is er dus een onderzoek nodig.
8. Uw zoon was vanochtend twee uur te laat. Hij zei dat hij naar de huisarts moest, kunt u dat ?
9. GTA en Minecraft vind ik heel erg gaaf, die games speel ik dan ook .


ramkraak.jpg
10. De mannen vertellen aan de politie dat ze een auto gestolen hebben, maar ze dat ze met die auto een ramkraak gepleegd hebben op een kledingwinkel.
11. Geloof jij echt dat die jongen is gescout door PSV? Wat ben je toch , iedereen weet dat hij liegt. Hij kan helemaal niet voetballen.