Woordenschat hoofdstuk 4, opdracht 2

Zet achter elke betekenis het juiste woord.

aangifte - beschadiging - bevestigen - delict - extern - frequent - hacken - intern - inzien - misdaad - naïef - onbespreekbaar - ondersteunen - onthutst - ontkennen - opbiechten - schenden - verzwijgen - wapenen - zelden

1. inbreken in een computer
2. helpen
3. zeggen dat iets niet zo is
4. kapot makenhet vertrouwen
5. eerlijk vertellen wat je gedaan hebt
6. melden bij de politie doen
7. van buitenaf
8. als je anderen te snel vertrouwt
9. zorgen dat je ergens tegen beschermd bentzich tegen
10. begrijpen
11. iets dat strafbaar is, bijv. moord of diefstal (1)
12. vaak
13. heel erg geschrokken en daardoor in de war
14. iets expres niet zeggen
15. binnen
16. absoluut niet / er valt niet over te praten
17. zeggen dat het klopt
18. bijv. een deuk in een auto of een kras op je iPad
19. bijna nooit
20. iets dat strafbaar is, bijv. moord of diefstal (2)