Opdracht 4: bijvoeglijk naamwoord in zinnen

Noteer de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord.
1. De (braaf) hond blaft tegen de (akelig) katten.
2. Heeft dat zeilschip nou een (staal) of een (hout) mast?
3. Over haar (katoen) T-shirt droeg ze een (dik) , (wol) trui.
4. Die (goedkoop) kleding is waarschijnlijk door mensen met zeer (laag) lonen gemaakt.
5. Kauwen met (open) mond is een (vies) gewoonte.
6. In het (overvol) restaurant genoot iedereen van de (heerlijk) gerechten.
7. Ze gaan vanmiddag een (beton) vloer storten in ons (nieuw) huis.
8. Op het rapport staat dat je een (intelligent) , (serieus) leerling bent.
9. De (chagrijnig) agent zei niets over zijn (grappig) opmerking.
10. Ze goot de (heet) koffie in een (karton) bekertje.