Opdracht 2: bijvoeglijk naamwoord - korte en lange vorm

Noteer de juiste vorm van het bijvoeglijk naamwoord.

1. Het vliegtuig is snel.een vliegtuighet vliegtuig
2. Het antwoord is goed.een antwoordhet antwoord
3. Het kind is eigenwijs.een kindhet kind
4. Het broodje is lekker.een broodjehet broodje
5. De huiskamer is knus.een huiskamerde huiskamer
6. De aanval is laf.een aanvalde aanval
7. De verpleegster is lief.een verpleegsterde verpleegster
8. De leraar is boos.een leraarde leraar