Opdracht 2: hoofdletters (2)

Type de woorden over. Schrijf je ze met een hoofdletter of met een kleine letter?
1. (ga) je Bart-Jan en (mercan) ook uitnodigen voor je (verjaardag)?

vakkenvuller.jpg
2. De (broer) van (yasmina) werkt als (vakkenvuller) bij (jumbo).
3. (ons) huis staat op de (hoek) van de (neherkade).

kathedraal.jpg
4. (moskou) is de (hoofdstad) van (rusland).
5. Het (schip) voer over de (noordzee) richting de (haven) van (rotterdam).
6. Ik vind die (italiaanse) (schoenen) van (ferdi) echt supermooi.
7. (edina) komt uit Roemenië, maar heeft een (hongaarse) (naam).

voetbal.jpg
8. In de (krant) stond dat (ajax) kansloos was tegen (fc barcelona).
9. In de (vakantie) ben ik naar (turkije) geweest.
10. (de) banden van de (witte) (mercedes) zijn versleten.
11. De leraren (geschiedenis) en (nederlands) zijn vandaag afwezig.
12. Ik heb een nieuwe (tandpasta) ontdekt: (colgate) met extra fluor.