Opdracht 1: alle zinsdelen

Noteer werkwoordelijk gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en de bijwoordelijke bepalingen.
1. Mijn tante nam voor ons dit weekend een heerlijke slagroomtaart mee.
wg =
ow =
lv =
mv =
bwb =

2. De wereldkampioen heeft gisteren het record verbeterd.
wg =
ow =
lv =
mv = -
bwb =

3. In de zomervakantie ga ik in de supermarkt werken.
wg =
ow =
lv = -
mv = -
bwb = /

4. Vanmiddag gaan we een ijsje eten bij de ijswinkel.
wg =
ow =
lv =
mv = -
bwb = /

5. Je moet even wachten bij de ingang.
wg =
ow =
lv = -
mv = -
bwb = /

6. De ober schenkt aan de bar een kop koffie in voor de gasten.
wg =
ow =
lv =
mv =
bwb =