Opdracht 1: persoonsvorm

Noteer van iedere zin de persoonsvorm.
Je kunt de persoonsvorm vinden door:
- de zin vragend te maken (vraagproef)
- de zin in een andere tijd te zetten (tijdproef)
- de zin van getal te veranderen (getalproef).


1. Mijn broer houdt van voetbal.
pv =
2. Mijn zus vindt tennissen leuker.
pv =
3. Het dak van de fietsenstalling moet nodig gerepareerd worden.
pv =
4. Ben je verplicht om naar de sportdag te komen?
pv =
5. Waarom ga je niet mee naar de verjaardag van je oma?
pv =

bliksems.gif
6. Tijdens het onweer schoten de bliksemstralen door de lucht.
pv =
7. Wat verwent die man zijn kinderen!
pv =
8. Wij moesten ons gisteravond flink haasten om de trein te halen.
pv =
9. Op de EHBO-afdeling van het ziekenhuis hebben ze geprobeerd de gewonde te helpen.
pv =
10. Schreeuw niet zo tegen mij!
pv =
11. De mensen konden niet anders dan voor het gevaar vluchten.
pv =
12. De buren hielpen om de brand te blussen.
pv =
13. Veel bakkers in Den Haag gaan al om zeven uur 's ochtends open.
pv =

aap.jpg
14. Die nieuwe aap in de dierentuin, die lacht de bezoekers uit!
pv =
15. Waarom doe jij bigie tegen dat jongetje van 3?
pv =