Opdracht 2: woorden met de of het


Bij de-woorden gebruik je deze en die.
Bij het-woorden gebruik je dit en dat.

Voorbeelden:
de hypnose - deze hypnose - die hypnose
het toernooi - dit toernooi - dat toernooi


1. de minister - minister - minister
2. het ontwerp - ontwerp - ontwerp
3. afkomst - afkomst - afkomst
4. onderwerp - onderwerp - onderwerp

interview.png
5. interview - interview - interview
6. roddel - roddel - roddel
7. journalist - journalist - journalist

masker.jpg
8. masker - masker - masker
9. politiek - politiek - politiek
10. verslag - verslag - verslag

respect.jpg
11. respect - respect - respect
12. teamsport - teamsport - teamsport